SWOV Catalogus

343159

Scootmobiel ongevallen : een LIS vervolgonderzoek.
20160842 ST [electronic version only]
Poort, E. Hertog, P. den Draisma, C. & Klein Wolt, K.
Amsterdam, VeiligheidNL, 2012, 53 p., 10 ref.; Intern rapport 580

Samenvatting Het aantal scootmobielen is de laatste jaren in Nederland drastisch toegenomen. In 2006 waren er in Nederland zo’n 150.000 scootmobielen en naar schatting is dit in 2012 toegenomen tot 250.000 scootmobielen. Ook is er sprake van een stijging in het aantal ongevallen waarbij een scootmobiel betrokken is. Uit het Letsel Informatie Systeem van VeiligheidNL blijkt dat het aantal slachtoffers van een ongeval met een scootmobiel dat wordt behandeld op de SEH in de periode 2007-2011 met 78% is gestegen. In 2011 ging het om 2.000 slachtoffers. De groep slachtoffers van een scootmobiel bestaat voor circa 55% uit vrouwen en 45% uit mannen. Ruim vier op de vijf slachtoffers van een ongeval met een scootmobiel is 65 jaar of ouder. In absolute aantallen is de groep 75-84 jarigen het grootst. Wanneer rekening wordt gehouden met de leeftijdsopbouw van de bevolking is er geen verschil tussen mannen en vrouwen wat betreft het risico op een ongeval en is het risico het hoogst voor de groep 85- plussers. Doel van het onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in de aard, omvang, achterliggende oorzaken en de gevolgen van ongevallen met scootmobielen teneinde aanknopingspunten te vinden voor de preventie van ongevallen met de scootmobiel. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van retrospectief schriftelijk vragenlijstonderzoek. Hiervoor zijn 250 personen aangeschreven die in de periode 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2012 na een ongeval met de scootmobiel op de Spoedeisende Hulpafdeling van een LISziekenhuis zijn behandeld. De respons op de vragenlijst was 45% (115 respondenten). Bijna twee derde van de respondenten gebruikt de scootmobiel minimaal vijf dagen per week. Circa driekwart van de respondenten gebruikt de scootmobiel al langer dan één jaar. De helft van de respondenten heeft een training over het gebruik van de scootmobiel gevolgd. Opvallend is dat twee derde van de respondenten overgewicht heeft, dit is vaker dan gemiddeld in Nederland. Acht op de tien ongevallen vonden plaats in de bebouwde kom, vooral in en om een huis of gebouw (16%), op een straat zonder fietsstrook (15%) of op een vrij liggend fietspad (15%). Bijna driekwart van de ongevallen vond plaats tussen 9:00 en 16:00 uur. Om een beeld te krijgen van de toedracht van het ongeval is voor de volgende vijf specifieke gebeurtenissen gevraagd of deze zich hebben voorgedaan: * de scootmobiel is omgevallen terwijl het slachtoffer er nog in zat; * slachtoffer is gevallen tegen de scootmobiel of heeft zich gestoten tegen de scootmobiel; * botsing; * slachtoffer heeft beklemd gezeten met de scootmobiel; * slachtoffer is uit de scootmobiel gevallen terwijl de scootmobiel zelf bleef staan. De meest voorkomende gebeurtenis is dat de scootmobiel is omgevallen terwijl het slachtoffer er nog in zat. Dit is bij zeven op de tien respondenten gebeurd, waarbij in veruit de meeste gevallen de scootmobiel opzij is gevallen. De overige gebeurtenissen hebben bij circa dertig tot veertig procent van de respondenten plaatsgevonden. De vijf gebeurtenissen blijken vaak in combinatie met elkaar voor te komen. Een veel voorkomende combinatie is dat men klem heeft gezeten tussen de scootmobiel nadat men met de scootmobiel was gevallen (en waarbij de scootmobiel dus op het slachtoffer terecht is gekomen). Om een beter beeld te krijgen van de toedracht van het ongeval zijn de antwoorden van de verschillende gebeurtenissen naast elkaar gelegd en is per respondent een samenvattend scenario gemaakt. Hierbij is ook het antwoord op de eerste open vraag betrokken, waarbij de respondent werd gevraagd om in eigen woorden te beschrijven wat er precies is gebeurd. Het meest voorkomende scenario is dat de wielen op ongelijke hoogte kwamen te staan waardoor de scootmobiel is gekanteld. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een schuine stoeprand, een hobbel of kuil in de weg of een oprit met een sterke helling. Dit scenario heeft zich bij 20% van de respondenten voorgedaan. Het tweede meest voorkomende scenario is dat men is aangereden door iemand anders (16%). Dit gebeurde in allerlei uiteenlopende verkeersituaties waarbij de scootmobiel vaak over het hoofd werd gezien door de andere weggebruiker, zowel fietsers als automobilisten. Bij 15% van de respondenten kwam het ongeval tot stand omdat men ergens tegen op botste, bijvoorbeeld een verhoogde stoeprand. Bij 14% van de slachtoffers kwam het ongeval tot stand door een bedieningsfout, meer specifiek ging het om het per ongeluk aanraken van de handel (6%) een fout door de gas/remconstructie (5%) en een onverwachte stuur reactie (3%). Andere scenario’s die relatief gezien vaak voorkomen zijn: kantelen in de bocht (7%), uit de scootmobiel vallen omdat bijvoorbeeld de armleuningen naar beneden stonden (5%) en het vallen van een hoogte waardoor de scootmobiel omvalt (5%). De groep 85-plussers lijkt enigszins af te wijken van de andere twee leeftijdsgroepen. In deze leeftijdsgroep is het scenario ’wielen op ongelijke hoogte’ vaker van toepassing, maar is geen enkele respondent aangereden door een ander. Om zicht te krijgen op de achterliggende oorzaken is voor elf mogelijke factoren gevraagd of deze het ongeval (mede) hebben veroorzaakt. De twee meest voorkomende oorzaken zijn ‘de toestand op de weg’ en ‘een fout bij het bedienen van de scootmobiel’. Beide factoren hebben bij 27% van de respondenten het ongeval mede veroorzaakt. Andere factoren die bij minstens 15% van de respondenten een rol hebben gespeeld zijn: het gedrag van een andere verkeersdeelnemer, het eigen rijgedrag, afleiding door iets of iemand en de verkeersituatie. Respondenten in de oudste leeftijdsgroep (85-plus) geven in vergelijking met de jongere respondenten vaker aan dat het eigen rijgedrag een rol heeft gespeeld. In LIS wordt geregistreerd welk letsel het slachtoffer heeft opgelopen. Bijna de helft van de respondenten (48%) heeft een fractuur opgelopen ten gevolge van het ongeval en bij 46% was er sprake van oppervlakkig letsel. Circa één op de drie slachtoffers is voor behandeling opgenomen in het ziekenhuis. Bijna één kwart van de respondenten geeft aan dat ze (waarschijnlijk) last zullen blijven houden van de gevolgen. Eén op de vier respondenten is na het ongeval minder gebruik gaan maken van de scootmobiel, deels door lichamelijke klachten en deels omdat men bang is geworden. Vrouwen zijn na het ongeval vaker minder gebruik gaan maken van de scootmobiel dan mannen. Er zijn diverse aangrijpingspunten om de veiligheid van de gebruiker van de scootmobiel te verbeteren. Daarbij valt vooral te denken aan aanpassing van de gas-/remconstructie en verbeterde stabiliteit van de scootmobiel. Daarnaast kan training en voorlichting aan de gebruikers zinvol zijn. Tenslotte zou bij de inrichting van de openbare ruimte meer aandacht moeten worden gegeven aan veilige routes voor gebruikers van de scootmobiel en anderen met een mobiliteitshandicap. (Author/publisher)
Full-text
Dossier
Suggestie? Neem contact op met de SWOV bibliotheek voor uw opmerkingen
Copyright © SWOV | Juridisch voorbehoud | Contact