SWOV Catalogus

340417

Fietsongevallen in Nederland : LIS vervolgonderzoek naar ongevallen met gewone en elektrische fietsen.
20150052 ST [electronic version only]
Kruijer, H. Hertog, P. den Klein Wolt, K. Panneman, M. & Sprik, E.
Amsterdam, Veiligheid NL, 2013, 70 p., 12 ref.; Intern rapport 581

Samenvatting In Nederland wordt de elektrische fiets de laatste jaren steeds populairder. Zo werden er in de eerste helft van 2011 9% meer elektrische fietsen verkocht dan in diezelfde periode een jaar eerder. Het is echter niet bekend of de elektrische fiets ook tot meer of tot andere ongevallen leidt dan de gewone fiets. Doel van het onderzoek is om meer inzicht te verkrijgen in de aard, omvang, achterliggende oorzaken en de gevolgen van ongevallen met elektrische fietsen teneinde aanknopingspunten te vinden voor de preventie van ongevallen met de elektrische fiets. Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van retrospectief vragenlijstonderzoek. Slachtoffers die in de periode van juli 2011 tot en met juni 2012 voor een fietsongeval werden behandeld bij de Spoed Eisende Hulp werden van een LIS- ziekenhuis (ziekenhuizen die deelnemen aan het Letsel Informatie Systeem) benaderd met een vragenlijst. De vragenlijsten zijn ongeveer 2 maanden na behandeling op de SEH-afdeling verzonden aan 5.006 slachtoffers. In totaal werden 2.287 vragenlijsten opgenomen in dit onderzoek (een respons van 46%). Op basis van dit onderzoek kan worden geschat dat jaarlijks 9.100 mensen op de SEH belanden na een ongeval met de elektrische fiets. Uit dit onderzoek komt verder naar voren dat: * van alle fietsslachtoffers die op de SEH werden behandeld, 13% op een elektrische fiets reed; * elektrische fietsslachtoffers ouder zijn dan overige fietsslachtoffers. In dit onderzoek waren elektrische fietsslachtoffers gemiddeld 66 jaar oud en overige fietsslachtoffers gemiddeld 38 jaar; en * 70% van de elektrische fietsslachtoffers vrouw was. Een gedegen risico-inschatting is op basis van dit onderzoek niet te maken en heeft ook te maken met persoonskenmerken die het risico op een fietsongeval vergroten (bijvoorbeeld fietsers met een beperking). De meeste ongevallen met elektrische fietsen ontstaan doordat slachtoffers van de fiets vallen. Van de elektrische fietsers geeft gemiddeld 17% zelf aan dat het rijden op een elektrische fiets een rol heeft gespeeld in het ongeval. Bijna driekwart van de ongevallen op de elektrische fiets gebeurt door de weeks. De meeste ongevallen vinden overdag plaats, verhoudingsgewijs veel minder in de ochtend- en avondspits en ook minder in de nacht. Ongevallen gebeuren met name op vrij liggende fietspaden en op straat. De helft van de ongevallen gebeurt op een recht doorgaand weggedeelte, een kwart in een bocht. Elektrische fietsers die een ongeval krijgen komen op veel punten overeen met overige fietsers die een ongeval krijgen nadat is gecorrigeerd voor leeftijd. Op een aantal punten zijn er wel verschillen te vinden tussen de groep elektrische fietsslachtoffers en overige fietsslachtoffers. Met name de groep elektrische fietsers van 12 t/m 54 jaar verschilt op een aantal punten met de groep overige fietsers van dezelfde leeftijd. Het lijkt er op dat deze groep fietsers vaker om gezondheidsoverwegingen een elektrische fiets heeft en dat ze vaker vallen als ze stilstaan. Elektrische fietsers hebben de fiets voornamelijk aangeschaft omdat die makkelijker fietst. De redenen voor aanschaf verschillen echter wel tussen de jongere en oudere slachtoffers. Bij jongere fietsers speelt snelheid een rol, evenals gezondheidsredenen. Op basis van dit onderzoek kan worden geschat dat 61.400 mensen op de SEH belanden na een fietsongeval (exclusief elektrische fietsen). Iets meer dan de helft van deze slachtoffers is man (57%). Uit het onderzoek komt verder naar voren dat: * 12-24-jarigen veel vaker een meervoudig ongeval krijgen dan de oudere slachtoffers; * ongevallen het vaakst door de weeks plaats vinden, tussen 09.00-16.00 uur. Jongere fietsslachtoffers lopen relatief vaker ’s nachts letsel op; en * fietsslachtoffers van 65 jaar en ouder gemiddeld vaak vallen bij het op en afstappen. Bijna de helft van de fietsslachtoffers geeft aan dat het ongeval mede was ontstaan door toedoen van hunzelf. Bijna de helft van de jonge fietsslachtoffers (12 t/m 24 jaar) geeft aan dat het gedrag van andere verkeersdeelnemers ook een rol speelde bij het ontstaan van een ongeval, dit ten opzichte van ruim een kwart van de oudere fietsslachtoffers (65 jaar en ouder). Bij 7% van alle fietsslachtoffers speelde alcohol een rol bij het ontstaan van het ongeluk. Dit geldt met name voor fietsslachtoffers van 12 t/m 49 jaar. Ook voor de overige fietsslachtoffers geldt dat de meeste ongevallen overdag en door de weeks gebeuren. Jongere fietsers lopen verhoudingsgewijs vaker ’s nachts letsel op. De meeste ongevallen gebeuren op vrij liggende fietspaden of op straat, dit is overeenkomstig met elektrische fietsongevallen. Het grootste deel van de fietsslachtoffers raakte gewond na een val. Het aandeel fracturen neemt toe naarmate fietsslachtoffers ouder zijn. Het aandeel oppervlakkig letsel en distorsie neemt daarentegen juist af wanneer fietsslachtoffers ouder zijn. Oudere fietsslachtoffers moeten na het ongeval vaker worden opgenomen in het ziekenhuis en verwachten vaker dat het opgelopen letsel blijvende gevolgen heeft. (Author/publisher)
Full-text
Dossier
Suggestie? Neem contact op met de SWOV bibliotheek voor uw opmerkingen
Copyright © SWOV | Juridisch voorbehoud | Contact